conservatisme - denkers
Richard Weaver, Ideas Have Consequences (1948)
Like Macbeth, Western man made an evil decision, which has become the efficient
and final cause of other evil decisions. Have we forgotten our encounter with
the witches on the heath? It occurred in the late fourteenth century, and what
the witches said to the protagonist of this drama was that man could realize
himself more fully if he would only abandon his belief in the existence of
transcendentals. The powers of darkness were working subtly, as always, and
they couched this proposition in the seemingly innocent form of an attack upon
universals. The defeat of logical realism in the great medieval debate was the
crucial event in the history of Western culture; from this flowed those acts
which issue now in modern decadence.
In zijn autobiografisch essay Up from Liberalism vertelt Richard Weaver hoe hij
op een ochtend in de herfst van 1945 in zijn werkkamer aan de Universiteit van
Chicago zijn gedachten liet gaan over de verschrikkingen van de dan net
beëindigde Tweede Wereldoorlog. Hij peinst verder over deze massaslachting
in relatie tot de vele valsheden van het moderne leven en denken. Tot welke
fundamentele oorzaken waren die te herleiden? Wanneer begon de ziekte van de
westerse moderniteit eigenlijk? En hoe kon de diagnose het best gesteld worden?
Twintig minuten later heeft hij een rijtje titels van toekomstige hoofdstukken
neergekrabbeld. Het concept van het boek, dat later door velen gezien zal
worden als een van de grote klassiekers van de naoorlogse Amerikaanse
conservatieve renaissance, ligt op zijn bureau gereed. Misschien heeft hij dan
ook al de licht ironiserende eerste zin in zijn hoofd: "This is another
book about the dissolution of the West".
In het drie jaar later verschenen boek laat Weaver de moderniteit vroeg
aanvangen. Al in de veertiende eeuw ziet hij een fundamentele omslag in het
westerse denken. Die diepgaande verandering vindt plaats in kader van het
bekende middeleeuwse debat over de vraag of, kort samengevat, algemene
begrippen (universalia) echt bestaan of louter concepten, producten van de
menselijke geest zijn. Het nominalisme van Willem van Ockham verdedigt dit
laatste en dringt het logisch realisme van het filosofisch hoofdtoneel. Weaver
ziet de overwinning van het nominalisme als de belangrijkste breuklijn in de
ontwikkeling van de westerse beschaving. De ontkenning van het waarheids- en
werkelijkheidsgehalte van de universalia leidt volgens hem tot een fatale
ondermijning van het idee dat er een waarheid buiten en onafhankelijk van de
mens zou kunnen bestaan. Een realiteit die vooral door het verstand te vatten
is, wordt vervolgens steeds meer vervangen door een werkelijkheid die primair
door de zintuigen kan worden waargenomen. Met andere woorden: het moderne
relativisme, empirisme en materialisme vinden al in de hoge middeleeuwen hun
oorsprong.
Een nieuwe visie op de natuur en de mens drong zich langzaam maar onbedwingbaar
op. Terwijl de natuur voorheen als een onvolmaakte nabootsing van een
transcendent model werd opgevat, ging men haar nu steeds meer zien als een
rationeel werkend mechanisch systeem. In dit mechanisch wereldbeeld was
uiteraard geen plaats meer voor het oude idee van de erfzonde en het kwaad.
Menselijke zwakheden werden toegeschreven aan onwetendheid of aan de
onvolkomenheden van de maatschappij. Zo begon in de achttiende eeuw het idee
van de fundamentele goedheid van de mens het westers denken te domineren. De
visie waarin de mens, geschapen naar Gods beeld en gelijkenis, de hoofdrol
speelde in een groots drama waarin het lot van zijn ziel voortdurend op het
spel stond, werd steeds meer vervangen door mensvisies waarin gedrag primair
werd bepaald door biologische en omgevingsfactoren. De ironie daarbij wil, dat
hoe meer de mens zich onafhankelijk maakte van traditionele gezagsbronnen en
zichzelf tot maat van alle dingen ging beschouwen, hoe minder betrouwbare
gezagsgronden hij overhield. De mens plaatste zichzelf in het centrum van het
heelal maar verschrompelde tegelijkertijd tot de moderne, neurotische,
geestloze massamens die meer geïnteresseerd was in Feiten dan in de
Waarheid, als wetenschapper zich ontwikkelde tot een specialist die steeds meer
van steeds minder weet en als consument zich verwikkeld zag in een uitzichtloze
jacht naar materiële zaken.
Voor Weaver staat vast dat men in iedere ontwikkelde beschaving een bron kan
traceren die structuur en hiërarchie in het denken en handelen aanbrengt.
Geen enkele beschaving kan zonder een dergelijke "metafysische
droom", die de basis vormt van de voor iedere samenleving onmisbare morele
orde. Zonder een metafysische droom valt een beschaving onvermijdelijk ten
prooi aan desintegratie. Cultuurscheppers creëren een vormentaal, scheppen
symbolen, zodat de empirische feiten hun betekenis kunnen krijgen. Zonder steun
van een transcendentale waarheid is dit volgens Weaver onmogelijk. Wanneer de
metafysische droom verkommert, ziet men het culturele verval vooral optreden in
sterke tendensen tot "onmiddelijkheid", in het afrukken van de sluier
die de dingen hun hogere betekenis verschaffen, in een plebejisch wantrouwen
tegen vorm en stijl. Het is niet de enige gedachte in het boek die de
Nederlandse lezer onweerstaanbaar doet denken aan Huizinga’s in 1935
verschenen en een jaar later al in het Engels vertaalde In de schaduwen van
morgen.
Uit de overwinning van het nominalisme komt dus ook de rebellie tegen
onderscheid en hiërarchie voort. Het moderne gelijkheidsstreven, dat in de
afgelopen eeuw vaak haast totalitaire trekken lijkt aan te nemen,
karakteriseert Weaver als een wezenlijk subversieve activiteit ten aanzien van
echte beschaving. De twijfelachtige resultaten van dit gelijkheidsstreven ziet
men b.v, wanneer we ons hier een kleine hedendaagse excursie mogen veroorloven,
in het huidige onderwijs waar de meeste "beleidsmakers" kwaliteit
definitief lijken ingeruild te hebben voor kwantiteit, geest voor materie. De
ruïne van het Nederlandse onderwijs gaat men te lijf met geld, getallen,
organisatieschema’s, computers en zij-instromers zonder enig inzicht in
of belangstelling voor de werkelijke aard van de crisis. Hoe juist is ook in
dit verband Weaver’s vaststelling dat de strijd om gelijkheid in de
moderne politiek steevast uitloopt op de vestiging van een plaatsvervangende
bureaucratische hiërarchie. Hoe juist is zijn vaststelling dat de
strijders voor gelijkheid dit altijd doen onder de pretentie een
onrechtvaardigheid te corrigeren, terwijl het resultaat steevast grotere
onrechtvaardigheden en ongerijmdheden laat zien. Hoe juist ook zijn
vaststelling - en die van vele conservatieve denkers voor en na hem - dat een
groeiende nadruk op gelijkheid een groeiend ressentiment van jaloezie en
onvrede veroorzaakt.
Terwijl inzet voor het ideaal van de broederschap - de basis van elke organische
sociale ordening, - leidt tot aandacht voor de ander, loopt het moderne
gelijkheidsstreven slechts uit op een grotere gerichtheid op het eigen ik.
Wanneer de mens de maat wordt van alle dingen worden de deuren naar een
ongeremd egotisme opengezet. Dat is het beste te zien in de ontwikkeling van de
cultuur in engere zin waar nieuwe vormen en ideeën zich steeds meer gaan
richten op rebellie tegen de Traditie en emancipatie van de vermeende ketens
van het verleden en waar in dat kader de uitingen van het bizarre en het
perverse in toenemende mate gelegitimeerd worden. In de Romantiek zien we voor
het eerst het primaat van de impuls, een extreem individualisme en een
voortdurende revolte tegen conventies, instituten en traditionele vormen. Ook
al zien we in de latere moderne kunst en literatuur ook weer een zekere
aandacht voor vormproblemen (geobsedeerdheid is dan vaak een betere term), die
trend van ongebreideld subjectivisme zal zich tot in onze dagen voortzetten in
bizarre uitwassen waarvan Weaver eind jaren veertig nog geen weet kon hebben.
In de economische sfeer verliest de arbeid de relatie met het ideaal van het
omzetten van potentie in actualiteit. Voor de middeleeuwer staat achter iedere
arbeid een ideëel uitvoeringsconcept. Werken is een soort bidden, ook in
de arbeid blijft de mens verbonden met de goddelijke orde. Wanneer het
kapitalistisch utilitarisme op de troon komt, ontstaat er een fatale scheiding
tussen de arbeider en zijn product. In navolging van de burger gaat de arbeider
zijn arbeid als waar zien. Net als Marx hanteert Weaver hier de term
vervreemding, maar terwijl Marx de primaire oorzaak van deze vervreemding ziet
in de arbeidsdeling en haar gevolgen, ziet Weaver de oorzaken natuurlijk in de
eerste plaats in de geestelijke sfeer: de teloorgang van het ideaal van
"roeping" en het concept van "eer" ten gunste van een
platvloerse versie van "dienst" ("service"). Ook hier die
omslag van kwaliteit naar kwantiteit, van geest naar materie.
Wanneer individuele zelfontplooiing het doel van het leven wordt, wanneer het
ego zich in het centrum van het bestaan positioneert, dan is er ook de
voortdurende behoefte de afstervende metafysische droom te compenseren met
allerlei surrogaatvormen. Dat laat Weaver b.v zien in een hoofdstuk over
"The Great Stereopticon", zijn aanduiding van de moderne massamedia.
Veel conservatieven zullen de neiging hebben de situatie op dit gebied rond
1950 als betrekkelijk positief in te schatten. Inderdaad, de ondragelijke
platheid van veel hedendaags televisieamusement, de mateloze verheerlijking van
het geweld in de bioscoopzaal en de abjecte vermenging van reclame en
pornografie in de publieke ruimte kende Weaver nog niet toen hij zijn boek
schreef. Maar vermoedelijk zullen veel hedendaagse lezers zich tijdens het
lezen van dit hoofdstuk wel realiseren dat de betekenis van de jaren zestig
voor dit soort zaken niet overdreven moet worden. Zijn analyse van de
Amerikaanse geschreven pers, film en radio van die dagen laat overtuigend zien
dat veel van de tegenwoordige decadentie daar al heel lang in potentie aanwezig
was. "The Great Stereopticon" voedt ons egotisme met een eindeloze
stroom woorden en beelden die een louter gefragmenteerd en cynisch wereldbeeld
oproept en iedere binding met de authentieke bronnen van schoonheid en waarheid
verloren heeft.
Wat kan in zulke omstandigheden gedaan worden? Kunnen al deze machtige trends
nog omgebogen worden? Wanneer Weaver in de drie slothoofdstukken deze vragen
stelt, komt hij als rechtgeaard conservatief natuurlijk niet met gedetailleerde
hervormingsvoorstellen of utopische blauwdrukken. Allereerst is inzicht in het
geestelijke karakter van de crisis nodig. We moeten beginnen, zegt hij, met
nederig te erkennen dat we belangrijke idealen verloren hebben laten gaan en
dat die dus herwonnen moeten worden. Daarvoor is nodig dat het in het westen
dominante monisme, aanwezig als utilitarisme, pragmatisme en materialisme,
overwonnen wordt; er moeten weer bruggen geslagen worden tussen het
materiële en het transcendente. De richting die hij aangeeft om te komen
tot herstel van "a world of metaphysical certitude" kan aldus kort
samengevat worden:
1. We zijn eeuwen in het defensief geweest en veel metafysische rechten zijn
weggeerodeerd. Er is in de loop van de westerse geschiedenis echter wel een
bastion overeind gebleven : "When we survey the scene to find something
which the rancorous leveling wind of utilitarianism has not brought down, we
discover one institution, shaken somewhat, but still strong and perfectly clear
in its implications. This is the right of private property, which is, in fact,
the last metaphysical right remaining to us." Dit recht wordt nog steeds
als natuurlijk gezien en is niet afhankelijk van sociale utiliteit.
Uitdrukkelijk heeft Weaver het hier niet over corporatief bezit (aandelen,etc)
zonder persoonlijke band. Anonieme, abstracte opeenhopingen van bezit nodigen
uit tot ingrijpen van de staat. Slechts bezit met een persoonlijke dimensie kan
een rol spelen in deugdbeoefening en karakterontwikkeling en, uiteindelijk, als
basis voor de vrijheid dienen.
2. In de moderne semantiek is de oude wijsheid dat er een goddelijk element in
de taal verweven zit uiteraard verdwenen. Daar is het streven er vooral op
gericht de taal zoveel mogelijk te ontdoen van concepten van waarheid, zoveel
mogelijk een scheiding aan te brengen tussen taal en conceptuele realiteiten.
Ook hier wordt de weg naar het metafysische afgesloten! De vulgarisering van
het hedendaagse taalgebruik, de afschaffing van serieus geschiedenis-en
literatuuronderwijs, het zijn verschijnselen die hiermee samenhangen. Weaver
stelt daar tegenover: de rehabilitatie van het woord en op basis daarvan
herstel van het klassieke onderwijs met grote aandacht voor poëzie,
vreemde talen,etc.
3. Weaver veegt het stof af van het oude begrip "vroomheid". Vroomheid
heeft te maken met nederigheid en ontzag, met de erkenning van het
bestaansrecht van zaken die groter zijn dan het ego. In onze cultuur is echter
niet vroomheid maar rebellie het voornaamste bestanddeel en rebellie komt zoals
Genesis ons leert voort uit trots. De moderne mens heeft een sterke neiging om
zowel de natuur als de geschiedenis te beschouwen als een ongelukkige erfenis
waar men zich zoveel mogelijk van moet bevrijden. Een vrome houding tegenover
de natuur is gebaseerd op het diep doorleefde geloof dat de schepping
fundamenteel goed is en dat de laatste oorzaak van haar wetten een mysterie is.
Ook een groter historisch bewustzijn kan dienen als medicijn tegen het moderne
egotisme. Voorzover de mens een denkend wezen is, beschikt hij slechts over het
verleden en over niets anders.
Tegenwoordig wordt Ideas Have Consequences tot de erkende klassiekers van het
Amerikaanse conservatisme gerekend. Dat is in zekere zin opmerkelijk, omdat het
denken van Weaver, zoals Cliteur terecht in zijn proefschrift opmerkt, veel
dichter in de buurt van het continentale conservatisme van denkers als Joseph
de Maistre lijkt te komen dan dat het zo gemakkelijk te plaatsen is in de
Angelsaksische traditie van Burke en de zijnen. Zijn kritiek op de moderniteit
is in dit boek zo radicaal dat men zich kan afvragen of deze Zuidelijke
antikapitalist wel zo probleemloos in de Amerikaanse conservatieve traditie te
plaatsen is. Sinds de postume publicatie van zijn proefschrift in 1968 (The
Southern Tradition at Bay) is ook veel duidelijker geworden hoe belangrijk de
invloed van de traditie van de Zuidelijke Agrarians op zijn vroege denken is
geweest en hoe de Noord-Zuid dichotomie ook en vooral in culturele zin zijn
denken heeft gevormd. Dat het Noorden – en dat is nu eenmaal verreweg het
grootste en in allerlei opzichten belangrijkste deel van de Verenigde Staten -
dan vooral staat voor de desintegrerende krachten die het in Ideas Have
Consequences moeten ontgelden zou dan tot de gedachte moeten leiden dat
conservatisme een wezensvreemd element is in de Verenigde Staten, een idee dat
uiteraard door de Amerikaanse conservatieven altijd nadrukkelijk is bestreden.
Met dit alles wil overigens wel gezegd zijn dat deze conservatieve
cultuurkritiek van de lange adem buitengewoon indrukwekkend is neergeschreven.
Dit boek verdient dan ook aanzienlijk meer aandacht in Nederland dan het tot nu
toe kreeg.
(Theo Parlevliet)
|